Uit de media

Tegen heug en meug de kansel op


Bron: Trouw, zaterdag 11 oktober 2008

Door Pauline Weseman

Een op de tien predikanten van de Nederlands-gereformeerde kerken verliet de laatste jaren zijn gemeente door problemen. Andere dominees raken opgebrand. „Sommigen hadden nooit dominee moeten worden’’.

’Kerkmensen zijn veranderd van een kudde schapen in een kruiwagen met kikkers. Ze kwaken voortdurend door elkaar heen en springen alle kanten op. In die hectiek wordt van ons geestelijke leiding verwacht. Het wordt steeds moeilijker om van de gemeente te houden’’, verzucht een predikant in het jongste themanummer ’Werkers in een veranderende kerk’ van Opbouw, het huismagazine van de Nederlands-gereformeerde kerken (ruim 32.000 leden).

Het blad zoekt de oorzaken voor een opvallend fenomeen in dat kerkgenootschap: een groeiend aantal predikanten moet korte tijd of zelfs definitief afhaken. „We schamen ons er niet voor’’, is de reactie van Freddy Gerkema, NGK-predikant in Amersfoort-Noord en samensteller van het themanummer. „We constateren dat het te vaak niet loopt tussen gemeente en predikant en dat daar wat aan gedaan moet worden. Vastlopende predikanten komen overigens ook in andere kerken voor, zoals in de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt.’’

Wat is er aan de hand? De laatste acht jaar heeft zich wel bijna elk jaar een predikant losgemaakt van een gemeente, op een totaal van ruim tachtig predikanten, zo schat Gerkema in. Daarnaast zijn er predikanten die regelmatig overspannen worden en burn-out raken. Het aantal is onbekend. „Het is een verborgen probleem.” De voornaamste vastloopredenen genoemd in Opbouw zijn veranderingen in tijd en maatschappij. Het gezag van de dominee is afgekalfd, gemeenteleden zijn kritischer en mondiger en eisen meer van hun voorman. „Vroeger hield je kritiek voor je, omdat het de dominee was’’, zegt Gerkema. „Nu krijg je kritiek soms ongezouten te horen. Er wordt meer op de persoon gespeeld.’’

Gerkema – zelf twintig jaar dominee, ’met plezier’ – vindt het werk óók ingewikkelder geworden. Activiteiten en de perfectiedrang namen toe. „Neem het gebruik van de beamer. Soms heb je het gevoel dat het niet mooi genoeg kan en dat je moet mee concurreren met wat leden in de maatschappij zien. Of de een wil meer psalmen, de ander meer Opwekkingsliederen. Je moet als predikant niet bezig zijn om iedereen te vriend te houden, je moet soms een dikke huid hebben en hebt tegelijk de gave van inschikkelijkheid nodig.’’

De ’nieuwe’ dominee moet dus bijna een communicatief wonder zijn. Bij de meeste ‘losmakingen’ (dominee en kerk gaan uit elkaar) liep het stuk op communicatie, zegt Gerkema. „Predikanten botsten met de gemeente, waren te weinig mensgericht. Ja, als je er geen gein in hebt om een pastoraal traject met iemand te doorlopen, heb je toch een probleem. Bij sommigen kun je je afvragen of ze überhaupt dominee hadden moeten worden.’’

Dat dominees worstelen in de communicatie blijkt ook uit de anonieme e-mailgroep van ngk-predikanten. Een dominee vertelt hoe hij heeft moeten leren kritiek serieus te nemen. „Ik was zelf iemand, die alle kritiek theologisch etiketteerde en daarmee wegzette. Ik geloof – ik weet wel zeker – dat ik niet de enige was die met deze ’truc’ terechte kritiek van mij afhield.’’ De lastige combinatie van een eigen koers durven bepalen én anderen serieus nemen, zijn dan ook vaardigheden waarop de professionele coaches Marieke Jellema en Ton de Gans vanuit hun nevenpraktijk PastoRaad (vastgelopen) NGK-predikanten begeleiden.

Wat het werk van de predikant bemoeilijkt, is dat van hen voortdurende beschikbaarheid wordt verwacht en het besef in een glazen huis te leven (‘practice what you preach’), constateren Jellema en De Gans. Een telefonisch spreekuur om zichzelf te beschermen wordt niet altijd in dank afgenomen.
In Opbouw concluderen zij: „Het gezag van de predikant lijkt meer en meer afhankelijk te zijn geworden van zijn functioneren, waarmee hij het gevaar loopt afhankelijk te worden van de gemeente en de onafhankelijke positie als geroepene te verliezen.’’

Jellema en De Gans vinden dat voorgangers vooral gecoacht moeten worden om zich staande te houden, bijvoorbeeld door te leren aansprekend te communiceren, duidelijke lijnen uit te zetten, een eigen geluid te geven en om te gaan met conflicten. De toename in losmakingen heeft al geleid tot veranderingen in de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding in Apeldoorn. Nieuw is een korte oriënterende stage, een zelfreflecterend werkcollege ’persoonlijk functioneren’, een verplichte supervisie tijdens de eindstage en werkbegeleiding voor jonge predikanten. Bedoeld om er zo snel mogelijk achter te komen of het predikantschap echt iets voor hen is.

Volgens Gerkema is voorheen te veel gekeken naar de intellectuele en te weinig naar de pastorale vermogens. „Er zijn uit sommige kerkelijke regio-examens dominees tevoorschijn gekomen die geen dominee hadden moeten worden. Ze kregen het voordeel van de twijfel.’’ Het is volgens Gerkema te overwegen dat potentiële predikanten eerst maar eens een hbo-opleiding pastorale theologie volgen. Omdat hun vak ’ook praktisch’ is. Wie voluit als predikant wil werken in kerken, kan daarna naar de universiteit.

Ook zou een jaarlijks gesprek met een professionele coach, kerkenraad en predikant – een soort APK – problemen kunnen voorkomen. Tot slot moet bespreekbaar worden of het predikantschap per se een roeping voor het leven moet zijn, vindt de Amersfoortse predikant. „Predikanten zouden meer begeleid moeten kunnen worden naar banen binnen en buiten de gemeente. Via een soort outplacementtraject. Nu houden de kostwinnerverantwoordelijkheden sommige voorgangers tegen heug en meug op de preekstoel.’’

In een ’brede’ kerk kun je makkelijker uitwijken.

Uitval van dominees speelt ook in grotere kerkgemeenschappen als de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), maar wel minder, zegt Nelleke Boonstra, werkbegeleider voor PKN-predikanten en -kerkelijk werkers. Zij denkt dat dominees in behoudender kerken zich meer verplicht voelen om alle taken op zich te nemen. Binnen de brede PKN zijn bovendien meer mogelijkheden om door te schuiven naar een passender gemeente of werkplek, stelt Boonstra.

Overgestapte predikant: „Ze zeggen: ’Geef leiding’, maar als je dat doet, dan branden ze je af”.

Dit ga ik niet tot mijn 65ste volhouden, dacht predikant Job Smit (52) eind jaren negentig. Hij werkte toen achttien jaar als predikant in de Nederlands-gereformeerde kerken, waarvan zeven jaar in een grote gemeente in het oosten van het land. Toch duurde het nog zeven jaar voor hij de stap maakte naar ander werk, dat van geestelijk verzorger in een verpleeghuis. „De plek die ik moest invullen was te groot geworden voor mijn persoon’’, is Smits samenvatting van zijn voormalige baan als gemeentepredikant. Kerken gingen zich afgelopen decennia professionaliseren. De dominee moest aarin mee, op vele terreinen. „In het pastoraat moet je sterk communicatief zijn, in de catechese didactisch, voor de preken goed kunnen spreken, in de kerkenraad moet je bestuurlijk inzicht hebben.
Pastoraat en preken, dat past bij mij, maar ik had moeite met de bestuurlijke kant. Ik zag enorm op tegen het geven van catechisatie. Als je dat aankaartte, werd gezegd dat je ook daarvoor was beroepen. Dus ga je door.’’

Tegelijk waren er de groeiende verwachtingen van steeds mondigere gemeenteleden. „Aan de ene kant holt het gezag van de dominee uit en uiten leden makkelijker kritiek, tegelijk houden gemeenteleden er ’archetypische verwachtingen’ op na. Je moet een vaderfiguur zijn bijvoorbeeld. Ze zeggen dus: ’Geef leiding’, maar als je dat doet, branden ze je af. Dat klinkt onaardig, maar zo is het wel.’’
Wat kerkleden zich vaak niet realiseren is dat de vele functies van een predikant snel met elkaar in strijd kunnen raken, benadrukt Smit. „Hoe moet je bijvoorbeeld pastoraat verlenen aan een kerkenraadslid met wie je een groot meningsverschil hebt? Een keer moest ik – als voorbeeld van de goede herder – een verzoenend gebaar maken naar iemand die mij enorm gekwetst had. Ik moest dus
als bemiddelaar optreden in een conflict waarin ik zelf de gekwetste partij was. Het werd een ondoorzichtig slangennest.’’

Wat de situatie nog bemoeilijkte was een verschuiving in Smits persoonlijke theologische opvattingen, zoals over het gezag van de Bijbel, homoseksualiteit en het belang van humaniteit.
„Er ontstond vervreemding op standpunten die de gemeente als vanzelfsprekend zag. Andere dominees hebben er mogelijk minder moeite mee om een leer te verkondigen die van hun persoonlijke opvattingen verschilt, ik vond dat lastig. Ik verwachtte daarin ook veel van mezelf, wilde authentiek zijn. Ik raakte mezelf kwijt.”

Smit vond ’onvoldoende oor’ voor zijn worstelingen. „Het gaf me een gevoel van onmacht. Er was voortdurend de frustratie dat je niet kunt bieden wat een gemeente nodig heeft. Dat legt groot gewicht op je schouders. Je bent nooit echt vrolijk, hebt geen ruimte voor ontspanning. Pyschologische hulp en training brachten het arbeidsplezier iets terug, maar niet voldoende.”
De voormalig gemeentepredikant kreeg lichamelijke klachten: slecht slapen, hoge bloeddruk, hartkloppingen. Een burn-out lag op de loer. Hij was er op tijd bij en vond via loopbaanbegeleiding een andere baan.

Zijn switch bevalt hem ’uitstekend’. „Ik ben gelukkig met deze plaats aan de zijlijn. Ik preek nog vaak, maar ben niet verantwoordelijk voor een gemeente. Als een functie van gedeeld leiderschap – met een zakelijk en spiritueel leider – zou bestaan in gemeenten, was ik misschien gemeentepredikant gebleven. De rol van de dominee moet structureel veranderen en bespreekbaar worden. Ik vind dat een predikant vooral spiritueel leider moet zijn, de stem van God moet verstaan. Dominees maar vooral gemeenten moeten de kern van het predikantschap en de verwachtingen verduidelijken en die vertalen in een werkbare functie.”

Het leed in die jaren voor zijn gezin en kinderen is moeilijk te verwoorden, zegt Smit. „Alleen al over de gevolgen voor de predikantsvrouw kan ik uren praten. Zij stapte over naar de PKN. Zij is wat prins Claus was bij koningin Beatrix: Je kunt nooit zeggen wat je vindt, maar je wordt overal verbonden met
de opvattingen van je echtgenoot. Mede daarom zijn we verhuisd. Ook is mijn engagement voor het instituut kerk flink afgenomen.’’

Rest er een gevoel van falen? Smit: „Gefaald heb ik in die zin dat de gemeente schade heeft geleden doordat ik onvoldoende leiding kon geven, koers kon bepalen en met conflicten om kon gaan. Maar ik heb niet gefaald in mijn roeping. Ik werk nog steeds in dienst van God, maar nu in de context die bij je past.”